user_mobilelogo

Microsoft voor leerkrachten
Klik hier voor een gratis versie van Office of Windows

Digitale Content
Hieronder enkele interessante educatieve links om de schorsingperiode leerrijk door te brengen:
Gratis GO! digitale content

Competentiemodel mediawijsheid

competentiemodel breed 1

In de buitenste cirkel van het model bevinden zich de mediawijsheidsdoelstellingen, wat je met media kan doen.
Wat je hiervoor moet kunnen of de mediawijsheidscompetenties bevinden zich in de tweede cirkel.
Een mediawijsheidscompetentie bestaat uit kennis (wat je kent), vaardigheden (wat je doet) en attitudes (wat je wil) met betrekking tot mediawijsheid (de binnenste cirkel)

De mediawijsheidscompetenties bestaan uit twee grote competentieclusters:
(1) media 'gebruiken'
(2) media 'begrijpen'
 
‘Media gebruiken’ is het technisch omgaan met media.  Dat gaat van heel eenvoudige vaardigheden zoals een muis kunnen besturen of een document opslaan, tot heel complexe vaardigheden zoals een video kunnen bewerken of een website kunnen bouwen.
We delen dit op in nog eens 4 deelcompetenties:
(1) Bedienen - de knoppen gebruiken: je kunt de fysieke handeling(en) verrichten die nodig zijn om een actie uit te voeren via media.  Dit is zogenaamde ‘knoppenkennis’: weten op welke knop je moet drukken.
(2) Navigeren - de weg vinden: je kunt je oriënteren tussen en binnen media, je kunt ertussen kiezen, en je weg terugvinden.
(3) Organiseren - een structuur aanbrengen: je kunt de media die je vindt en gebruikte ordenen zodat ze voor jou makkelijker hanteerbaar zijn.
(4) Produceren - zelf media maken: je maakt zelf media op een zo aantrekkelijk mogelijke manier.

 
‘Media begrijpen’ is het bewust en kritisch omgaan met media.  Dat gaat van inzien wat de (on)mogelijkheden van media zijn en voor welke doelen ze bedoeld of geschikt zijn, tot het complexe bewustzijn over je eigen mediavaardigheden en die van anderen.
We delen dit op in nog eens 4 deelcompetenties:
(1) Observeren - de kansen zien: je bent je bewust van hoe media in elkaar zitten, hoe ze werken en wat hun effecten, (on)mogelijkheden, bereik en doelen zijn. 
(2) Analyseren - het achterliggende onderzoeken: je kunt de inhoud van media onderzoeken en er kritisch en creatief over nadenken.
(3) Evalueren - de waarde beoordelen: op basis je analyse de kwalitatieve en kwantitatieve waarde van een media(inhoud) beoordelen.
(4) Reflecteren - toepassen op je gedrag: je eigen of iemand anders gedrag bekijken en beoordelen om het bij te sturen.
%MCEPASTEBIN%